Stotteren bij kinderen van 6-12 jaar
Stotteren op de basisschool
Stotteren komt bij 5 tot 17* procent van de kinderen op de basisschool voor. Het ontstaat het vaakst in de leeftijd van drie tot vijf jaar. Bij veel kinderen (vooral kinderen jonger dan zeven jaar) is het van voorbijgaande aard. Een deel blijft echter stotteren: ongeveer 1% van de wereldbevolking stottert. U heeft als leerkracht van groep drie tot en met acht dus een grote kans dat u met een stotterend kind in uw klas te maken krijgt.
Tijdens de basisschoolperiode maakt een kind een grote ontwikkeling door. Zowel cognitief en sociaal-emotioneel, als op het gebied van de motorische en talige vaardigheden. Bij stotteren is er sprake van een verschil in neurologische aanleg en ontwikkeling. Bij het ontwikkelen van stotteren in de kindertijd lijkt bovendien een disbalans tussen enerzijds de vaardigheden en mogelijkheden van het kind en anderzijds de verwachtingen van zichzelf en de omgeving een belangrijke rol te spelen.
* ‘De gegevens over prevalentie en incidentie verschillen per studie. Dit heeft onder andere te maken met verschillen in de definitie van stotteren, de leeftijd van de onderzoeksgroep en de onderzoeksmethode’ (Richtlijn Stotteren 2020)
Capaciteiten
Vanaf achtjarige leeftijd is er vaak een duidelijke verandering te zien op sociaal-emotioneel gebied. Het kind wordt zelfstandiger en is steeds meer en beter in staat zijn eigen gedrag en het gedrag van anderen te beoordelen. Ook op motorisch en cognitief gebied wordt het kind vaardiger en zelfstandiger, de taalontwikkeling is nog volop in ontwikkeling en het spreektempo wordt vanaf ongeveer tien jaar duidelijk hoger.
Eisen
Een goede balans tussen de capaciteiten van het kind en dat wat er van hem verwacht wordt is ook bij oudere kinderen niet altijd vanzelfsprekend. Het kind krijgt meer vrijheden om zelfstandig te functioneren, maar er zijn ook steeds meer en hogere verwachtingen vanuit bijvoorbeeld de ouders en school. Er wordt bijvoorbeeld verwacht dat het zelfstandig naar vriendjes/school gaat, zelf afspraken maakt, sociaal gedrag vertoont, op school boekbesprekingen en spreekbeurten houdt en kan discussiëren.
Bij een kind met aanleg voor stotteren kan stotteren naar voren komen of toenemen als er door disbalans spanning optreedt binnen één of meer ontwikkelingsgebieden.
Bewustzijn
De ideale situatie is dat het kind weet dat het stottert, dit volledig accepteert en er open met anderen over kan praten, bijvoorbeeld als deze er vragen of opmerkingen over hebben. Veel kinderen die stotteren in deze leeftijdsfase zijn echter bewust op zoek naar een ‘oplossing’ voor het stotteren, ze proberen het stotteren te verminderen en minder te laten opvallen. Het ‘je best doen om niet te stotteren’ geeft echter juist meer inspanning en spanning en zorgt hierdoor vaak voor meer stotteren. Kinderen die stotteren als iets negatiefs gaan zien, beginnen vaak woorden of situaties uit de weg te gaan en hun gedrag aan het stotteren aan te passen. Zo kan een kind angstig worden in spreeksituaties en zich zelfs sociaal gaan isoleren.
De buitenkant van het stotteren
Stotteren heeft een binnenkant en een buitenkant. De buitenkant van het stotteren is datgene wat we als luisteraar opmerken. Als een kind rustig de herhalingen, verlengingen en blokkades laat komen, zonder zich ertegen te verzetten, spreken we van ‘kernstotteren’. Als het extra kracht gaat gebruiken om niet te stotteren, is er sprake van ‘vechtgedrag’. Dit kan zich uiten in gespannen bewegingen van tong, lippen, kaken en stembanden. Ook de ademhaling kan dan meer gespannen worden. De blokkades worden heftiger. Ook kan het kind gaan meebewegen met het hoofd, de handen en de voeten of is er spanning te zien in het gezicht. Als een kind situaties gaat vermijden, een ander het woord laat doen, zijn woordvolgorde aanpast of een synoniem gebruikt, spreken we van ‘vlucht- of vermijdingsgedrag’. Het is voor de luisteraar dan echter niet altijd duidelijk dat het gedrag met angst voor stotteren te maken heeft.
De binnenkant van het stotteren
De binnenkant van het stotteren is vaak moeilijker op te merken dan de buitenkant. Of het wordt wel opgemerkt, maar het is niet direct duidelijk dat er een link met het stotteren is. De binnenkant bestaat uit gedachten en emoties omrent het stotteren, zoals schaamte, verdriet, frustratie, minderwaardigheidsgevoelens, boosheid. Een kind dat stottert kan spreekangst ontwikkelen. Terwijl het spreekt, is het dan meer bezig met zijn stotters of de mogelijke reacties van anderen, dan met de inhoud van het gesprek. Als een kind zijn eigen stotteren niet accepteert of voelt dat zijn omgeving het stotteren niet accepteert, gaat het zijn best doen om niet te stotteren: minder praten of doen alsof het het antwoord niet weet. Het kind kan zich daardoor terugtrekken of juist bravouregedrag vertonen. Als een kind gelooft dat het niet mag stotteren, ontstaat extra spanning die het spreekprobleem negatief beïnvloedt. Het komt dan in de negatieve stottercirkel:

Therapie
Kinderen die stotteren in de leeftijd van 6-12 jaar, stotteren doorgaans al meerdere jaren. De kans op volledig herstel wordt vanaf groep drie steeds kleiner. Als het kind op enige manier last heeft van zijn stotteren (als het vecht- of vluchtgedrag vertoont en/of negatieve gedachten of gevoelens heeft over zijn stotteren), kan het beste zo snel mogelijk gestart worden met therapie. De stottertherapieën voor kinderen in deze leeftijdscategorie richten zich op de verschillende aspecten van het stotteren. De logopedist-stottertherapeut zal maatwerk bieden aan de hand van de Richtlijn stotteren. De logopedist-stottertherapeut bepaalt in overleg met het kind dat stottert en zijn ouders de doelstellingen van de behandeling. Meestal is het goed om eerst veel aandacht te geven aan ‘de binnenkant’ van het stotteren.
Als een kind en zijn omgeving anders gaan denken over stotteren, daalt de last die het kind ervaart vaak al. Niet alleen het kind en de ouders, maar ook anderen die met het kind samenleven en werken worden betrokken in de therapie: broertjes/zusjes, grootouders, vriendjes, vrienden/familie, leerkrachten en andere professionele hulpverleners. Er wordt informatie gegeven, overleg gepleegd en waar mogelijk wordt de omgeving ingeschakeld als oefenmaatje.
Pesten
Pesten kan een belangrijk onderwerp zijn bij deze leeftijdsgroep. Uiteraard wordt niet elk kind gepest. De logopedist-stottertherapeut vraagt altijd na of er sprake is van pesten. Als dit aan de orde is wordt er samen met het kind dat stottert, zijn ouders en eventueel de leerkracht, een plan van aanpak gemaakt om hiermee om te gaan.
Leerkracht
De therapeut is de coach en helpt het kind zijn eigen coach te worden. Kern van de therapie is het zoeken naar de mogelijkheden van het kind dat stottert en de factoren die hem helpen om zich vrij en vaardig te voelen in de communicatie. De logopedist-stottertherapeut heeft u vaak als leerkracht nodig bij de therapie en zal dus mogelijk contact met u opnemen. Maar voelt u zich als leerkracht ook altijd vrij om de therapeut te benaderen met vragen of suggesties.
Stotteren en lezen
Bij het trainen en toetsen van leesvaardigheid in de onder- en middenbouw (en op sommige scholen ook in de bovenbouw) ligt vaak de nadruk op het leestempo. Het geven van tijdsdruk verhoogt bij kinderen met stotteren echter de kans op stotteren. De meting zegt dan onvoldoende over het leesniveau en zorgt mogelijk voor frustratie, wat het stotteren kan doen toenemen en het plezier in lezen kan doen afnemen.
Enkele belangrijke weetjes:
- Bij een goede onderbouwing is de DMT volgens de onderwijsinspectie niet verplicht voor kinderen die stotteren.
- De AVI-toetskaarten zijn bij kinderen die stotteren niet het geschikte instrument om te bepalen welk niveau het kind beheerst en op welk niveau instructie nodig is (zie handleiding AVI-toetskaarten).
Wat dan wel? Over het algemeen werkt het het best om een stilleestoets af te nemen, of het lezen als leerkracht zelf te beoordelen. Dit kan door het kind een stukje te laten stillezen en het daarna vragen te stellen over de tekst, en het daarnaast een stukje hardop te laten lezen en zelf in te schatten of het kind het betreffende leesniveau aankan.




.png)


