Buitenlandse folders
Demosthenes

StotterCafé Nederland

Het initiatief om stotterend Nederland en iedereen met belangstelling voor stotteren een plaats te bieden voor ontmoeting!

Ga naar de website

Demosthenes

Demosthenes

alles voor en over personen die stotteren

Ga naar de website

NVST

NVST

alles voor en over stottertherapeuten

Ga naar de website

U treft hier feiten aan over stotteren. Wat te doen wanneer een jong kind, basisschoolkind, tiener of volwassene zich aanmeldt of aangemeld wordt. Informatie over de Nederlandse Vereniging voor StotterTherapie en bijscholing.

Algemene informatie
Feiten over stotteren:

  • In de meest gangbare opvatting is stotteren een neuromusculair programmeerprobleem. Het is een storing in de ontwikkeling van de spraak, waar naar alle waarschijnlijkheid een erfelijke aanleg voor aanwezig moet zijn. Bij minstens de helft van alle stotteraars komt stotteren in de familie voor. Wanneer één van de ouders stottert, is de kans op stotteren bij elk kind 25%.
  • Bij ongeveer 5% van alle kinderen treden stotterverschijnselen op; bij 1% ontwikkelt zich chronisch stotteren. In de peuterleeftijd is de verhouding tussen jongens en meisjes die stotteren 2:1, een paar jaar later is dit 4:1.
  • Stotteren ontstaat meestal geleidelijk tussen het tweede en vijfde levensjaar. Periodes van stotterend spreken wisselen af met periodes van vloeiende spraak.
  • Ruim de helft van alle kinderen met stottergedrag (naar schatting 50-80%) herstelt hiervan zonder professionele hulp voor het 10e levensjaar. Helaas kunnen we niet exact voorspellen wie wel en wie niet herstelt. Wel krijgen we steeds meer zicht op de risicofactoren voor chronisch stotteren. Belangrijke risicofactoren zijn het geslacht (jongens hebben meer kans op chronisch stotteren dan meisjes), het tijdstip waarop het stotteren begint (hoe vroeger in de ontwikkeling, hoe meer kans op chroniciteit) en de mate waarin stotteren in de familie voorkomt. Bijkomende problemen – zoals een taalstoornis of een motorisch, emotioneel of leerprobleem – kunnen het stotteren verergeren, evenals de emotionele reacties op het stotteren van het kind zelf en/of vanuit de omgeving van het kind.
  • Kinderen die stotteren verschillen in hun medische, cognitieve of psychologische ontwikkeling niet van kinderen die niet stotteren.
  • Wat ouders doen veroorzaakt geen stotteren. Wel kunnen sterk emotionele of straffende reacties van de ouders op haperend spreken de ontwikkeling van het vloeiend spreken negatief beïnvloeden.

U leest in het artikel "Achtergronden en ontwikkeling van stottertherapie"; de rol van de logopedist-generalist en van de logopedist-stottertherapeut in voorlichting, preventie en behandeling van stotteren.

Jonge kinderen
Als u een aanmelding van een jong kind krijgt, kunt u ervoor kiezen samen met de ouders de screeningslijst Stotteren af te nemen. Deze staat op de homepage van deze website. Indien de uitslag aangeeft dat er sprake is van een risico op chronisch stotteren is een uitgebreid onderzoek noodzakelijk. Via een gesprek met de ouders, informatie van de leerkracht en observatie en onderzoek van het kind zelf wordt de diagnose gesteld: gaat het hier om (tijdelijk) niet-vloeiend spreken of om stotteren?

We krijgen in wetenschappelijk onderzoek steeds meer inzicht in de risicofactoren voor chronisch stotteren:

  • geslacht (jongens lopen meer risico dan meisjes, ratio 4:1);
  • erfelijkheid (wanneer stotteren in de familie voorkomt kan de zwakke plek om te gaan stotteren overgeërfd worden; normaliter 1% kans o stotteren, indien 1 van beide ouders stottert verhoogt de kans naar 25% ).
  • Wanneer het kind andere belemmeringen heeft zoals een spraak-taalprobleem kan dit een risicofactor zijn voor de ontwikkeling van stotteren.

Voor de therapie kan gekozen worden uit indirecte therapie (ouderbegeleiding) als directe therapie: met het kind zelf oefenen. Voor beide therapiewijzen is evident dat zij succesvol kunnen zijn als aanpak voor beginnend stotteren. 

Zie ook 'Kleuters en stotteren', diagnostische kenmerken, spontaan herstel en indicatiestelling voor behandeling.

Studie
U kunt hierbij een recent artikel downloaden van C.J. Kielstra-van der Schalk, M.C.Francken en H.H. Boelens.
De samenvatting van deze studie luidt alsvolgt:
"In dit artikel wordt de achtergrond en opzet van een gerandomiseerd klinisch onderzoek besproken. Dit experiment betreft twee stottertherapieën. De ene therapie is gangbaar in Nederland, terwijl de andere uit Australië komt en in Nederland nog nauwelijks wordt uitgevoerd. De theoretische achtergronden en therapeutische toepassingen van beide therapieën worden uitvoerig beschreven. Tot slot worden de therapeutische toepassingen van beide therapieën geïllustreerd aan de hand van twee gevallen." download

Basisschoolkinderen
Bij een wat ouder kind hebben de leerfactoren al meer invloed gehad op het stotteren en is het stotteren vaak al meer ingeslepen. Breng het spreken in kaart en peil de attitude van het kind. Het is belangrijk om de beleving van het stotteren van het kind zelf in de diagnose te betrekken. De omgeving blijft een cruciale rol spelen maar de therapie motivatie en de hinder die het kind zelf ondervindt van het stotteren verdienen nu ook aandacht. Wordt het kind gepest, hoe reageert de klas? Het kind heeft soms al logopedie gehad; wat is er toen aangepakt en wat was daarvan het effect?

Therapie bestaat doorgaans uit twee componenten: direct met het kind werken aan erkenning van het stotteren, stottermodificatie en e.v. spreektechniek. Voor een goede transfer en ondersteuning van het kind is het nodig om de ouders bij de behandeling te betrekken.

Tieners
Met tieners kunt u in overleg een therapieplan opstellen, gericht op de hulpvraag. Naast individuele therapie kan groepstherapie heel effectief zijn omdat ze in deze levensfase vooral open staan voor ervaringen van en leren van leeftijdsgenoten. Wanneer zij in een groep andere stotteraars ontmoeten kan dat een enorme stimulans zijn in het positief leren omgaan met hun eigen stotteren. De puberteit kan ook een contra-indicatie voor therapie vormen, b.v. wanneer het kind met heel andere zaken bezig is dan met zijn stotteren of wanneer er veel strijd in de thuissituatie is. Soms richt de therapie zich dan op de ouders van de puber. 

Zie ook het artikel "Stotteren in het Voortgezet Onderwijs".

Volwassenen
Aangezien er al veel ervaringen met het stotteren zijn opgedaan is uitgebreide diagnostiek van de stotterernst en attitude bij een volwassene heel belangrijk.

Probeer te achterhalen waarom iemand nu iets aan zijn stotteren wil gaan doen en waarom eerdere therapieën niet voldoende aansloegen. Heeft hij vooral hinder van zijn gedachten en gevoelens rondom het stotteren? Dan is het goed om de attitude aan te pakken. Is er echter sprake van een gezonde houding en geen spreekangst dan kan een spreektechniek geoefend worden.

Naast individuele therapie zijn er ook meerdere groepstherapieën (zie ‘therapievormen’ op deze website. Recent wetenschappelijk onderzoek naar 3 therapievormen in Nederland heeft duidelijk gemaakt dat zowel maatwerk (individuele therapie) als groepstherapie effect heeft op lange termijn (2 jaar na therapie) zie Resultaat Nijmeegs Effectiviteitsonderzoek naar 3 stottertherapieën onder 'Wetenschappelijk Onderzoek'. 

Nederlandse Vereniging voor Stottertherapie (NVST)

Op de website van de NVST vindt u informatie over het doel van de vereniging en de opleiding tot stottertherapeut.

Bijscholing
Voor bijscholing op het gebied van stotteren kunt u kijken:

Media

Bekijk stotteren in de media

Blijf op de hoogte

Brochures, posters en boeken

Bestel of download gratis

Sponsors en partners

DTFonds
DTFonds
Cultuur Fonds
Demosthenes
NVST
InternetDiensten Nederland