Neurologie en stotteren
Op deze site staan al veel wetenschappelijke stukjes over diverse medische aspecten van het stotteren, o.a. over farmacotherapie bij dan wel de genetica van stotteren. Nu hebben we een hoofdstuk over de neurologie ervan geschreven, en dat komt uit in een boek: ''Stuttering: Risk Factors, Public Attitudes and Impact on Psychological Well-Being''. Aan het eind staat een hypothese over de mogelijke schakel tussen genetica en neurologie bij stotteren. Het blijft nog een hypothese, maar elk model kan helpen bij de aanscherping van studies over de oorzaken – ook bij stotteren.
En wat heeft de persoon die stottert nu aan al die wetenschap? Zo werkt de wetenschap nu eenmaal: door gerichte experimenten of goed gedocumenteerde trial and error gaan we vooruit; soms (te) langzaam, maar altijd gestaag. Uiteindelijk wordt de therapie daardoor verbeterd.
Stottertherapie werkt goed, direct of via een omweg
Stotteren kun je op twee manieren behandelen. De werking van de ene was bewezen, van de andere niet. Maar sinds vrijdag staan ze op gelijke voet.
In de Volkskrant van maandag 10 augustus 2015 stond een artikel over stottertherapie naar aanleiding van een onderzoek van Marie-Christine Franken.
Lees het artikel hier.
Meer informatie over het onderzoek lees je hier.
Foto Marcel van den Bergh / de Volkskrant
Stotterende mensen hebben dikker hersengebied voor spraak
Mensen die stotteren zijn op hersenscans te herkennen aan een relatief dik spraakgebied, zo blijkt uit nieuw wetenschappelijk onderzoek. Normaal gesproken wordt het weefsel in het hersengebied voor spraak wat dunner na de kindertijd, omdat het het zogenoemde 'centrum van Broca' steeds efficiënter gaat werken.
Bij personen die stotteren gebeurt dat echter niet: de grijze stof in het gebied slinkt niet of nauwelijks.
Dat melden onderzoekers van de Universiteit van Alberta in het wetenschappelijk tijdschrift Frontiers in Human Neuroscience.
Lees het complete artikel hier.




.png)


